Zienswijze NWEA internetconsultatie wijziging AMvB SDE+

Prima om binnen de SDE+ meer rekening te houden met het windregime, maar nog beter als met locatiedifferentiatie ook de begrenzing in het aantal vollasturen verdwijnt. Dat stelt NWEA onder meer in de reactie die is ingediend op de plannen van het Rijk voor de SDE+ voor 2015. Voor wind op zee pleit NWEA er onder meer voor om ook ‘frontloading’ mogelijk te maken.

Het Rijk hield een internetconsultatie over de voorgenomen plannen voor de Wijziging van het Besluit Stimulering Duurzame Energieproductie (2015), zegt maar de SDE+ regeling zoals die er vanaf 2015 uit zou moeten zien. Daarin staan als uitgangspunten onder meer het vervangen van de windfactor door banking, het meer toespitsen van de SDE+ naar windregime (locatiedifferentiatie) en wordt gedacht aan het mogelijk inzetten van SDE+ gelden in het buitenland. NWEA vindt dat SDE+ gelden eigenlijk bedoeld zijn voor de productie van hernieuwbare energie bínnen Nederland. Maar in elk geval moet voorkomen worden dat er onzekerheid in de markt gaat ontstaan als blijkt dat een deel van het SDE+ budget in het buitenland zal worden besteed – het totale budget voor binnenlandse productie wordt daarmee immers lager.

Maximaal aantal vollasturen

In de voorstellen wordt opnieuw uitgegaan van het vaststellen van een maximaal aantal vollasturen, en dat is jammer, constateert NWEA. Want afhankelijk van de turbinekeuze is er snel een verschil van enkele honderden vollasturen per jaar onder dezelfde windcondities. Door een maximum in vollasturen te stellen, vindt stimulering plaats op vermogen (MW) in plaats van duurzame productie (MWh). Dit beperkt de potentiele innovatiemogelijkheden en heeft daarmee een nadelig effect op de kosteneffectiviteit, zowel bij wind op land als wind op zee.
Aanpassingen aan de SDE+ moeten ook bijdragen een investeringszekerheid en als doel hebben om te komen tot een verbeterde financierbaarheid en daarmee lagere kosten voor hernieuwbare energieproductie. Dat alles kan er aan bijdragen de nationale doelstellingen voor hernieuwbare energie te halen: 6.000 MW wind op land in 2020 en 4.450 MW op zee in 2023, zoals ook in het SER Nationale Energieakkoord afgesproken. Met dat akkoord werden immers de al bestaande afspraken over wind op land tussen Rijk en provincies bevestigd en werd een duidelijk pad voor de grootschalige uitrol van offshore wind beschreven.

Wind op Land - differentiatie naar locatie

Voor wind op land geldt daarbij onder meer dat NWEA positief is over het voornemen tot locatiedifferentiatie dat in de plannen beschreven wordt. Het vergroot de mogelijkheid om op productie te stimuleren in plaats van op vermogen – dus op MWh in plaats van op MW. Om dit uitgangspunt beter tot zijn recht te laten komen dan met de in de concept AMvB genoemde oplossingen, doet NWEA een aantal voorstellen.
Locatiedifferentiatie voor wind op land moet er voor zorgen dat projecten kunnen indienen voor een basisbedrag dat past bij het lokale windregime en de afmetingen van de vergunde windturbine. Locatiedifferentiatie zou daarmee de vollasturencap als basis voor differentiatie kunnen vervangen zodat een optimale turbinekeuze kan worden gemaakt. Het wegnemen van de beperking in het aantal vollasturen vergroot de hoeveelheid duurzame energie en minimaliseert de kosten in €/MWh. Een voorstel voor locatiedifferentiatie – meent NWEA - zou gebaseerd moeten zijn op ruimtelijke kenmerken die een directe relatie hebben met windsnelheden op ongeveer 100 meter hoogte.

Windfactor en banking

NWEA wijst er verder op dat afschaffen van de windfactor en deze vervangen door banking ook nadelige gevolgen en risico’s kan hebben voor de financierbaarheid van windenergie. Banken rekenen met de p90-productie (90% zeker dat deze jaarlijkse windproductie wordt gerealiseerd) en houden dus rekening met een mogelijk wat lagere windopbrengst. In het geval van de windfactor loopt een project in de business case voor financiering in principe dan geen subsidie mis omdat de maximale subsidie al wordt gehaald bij 80% van de vollasturen. Bij banking loopt een project in de business case voor financiering echter wel subsidie mis doordat een lagere windopbrengst leidt tot onbenutte subsidieruimte. Zeker slechte windjaren aan het begin van het project, kunnen dan direct impact hebben op de business case.
De windfactor kwam tegenmoet aan het specifieke karakter van windprojecten. Mogelijk verminderde financierbaarheid als gevolg van dit effect zou wat betreft NWEA opgevangen, eventueel door de wijze van invulling van banking of door een langere looptijd van de regeling naar bijvoorbeeld 17 jaar.

Wind op Zee en de noodzaak van beleidsinnovaties

Voor wind op zee is het streven om op de wat langere termijn te komen tot een kostenreductie van 40%. Om dat te bereiken is ook aanpassing van wet- en regelgeving nodig. De concept AMvB voor de SDE+ biedt daarbij nog onvoldoende positieve beleidsinnovaties om voldoende bij te dragen aan de kostenreductie en tot een ondersteuningssysteem te komen dat concurrerend is met de ons omringende landen die ook inzetten op wind op zee: België, Denemarken, Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. Ook bevat het pakket nog onvoldoende zekerheid op het vlak van financierbaarheid en het bevat zelfs wijzigingen die het risicoprofiel van windparken op zee juist vergroten. Dat laatste kan zelfs kostenverhogend werken, want aan risico’s hangen prijskaartjes. Door dat alles dreigt ook de kans dat er te weinig interesse zal komen uit de internationale markt voor een tender in Nederland, waarschuwt NWEA. Dit terwijl NWEA in de uitgangspunten en gedachten achter de aanpassingen voor de SDE+ het positieve streven herkent om de uitrol van wind op zee mogelijk te maken.

Kostprijsreductie en frontloading

Een forse kostprijsreductie en een internationaal interessant investeringsklimaat zijn echter wel degelijk mogelijk, vindt NWEA. NWEA, het TKI-WoZ en het ministerie van EZ hebben eerder ook verschillende beleidsinnovaties en stimuleringsmodellen besproken die daaraan een bijdragen kunnen leveren. In de reactie van NWEA wordt naar een aantal van deze oplossingen verwezen, zoals ‘frontloading’. Daarbij is er bijvoorbeeld een hoger basisbedrag gedurende de eerste jaren van een project een lager basisbedrag in latere jaren of door in het beginjaar een deel van de totale toegezegde subsidie uit te keren. Windprojecten zijn vooral kapitaalsintensieve projecten; de wind (brandstof) kost immers niets. Het betekent ook dat de kapitaallasten zwaar tellen in de business case. Met frontloading komt een groter bedrag in de beginjaren beschikbaar. Er kan dan bijvoorbeeld een groter deel worden afbetaald (en dus later lagere rentelasten) en voor financiers geldt dat eventuele risico’s – die vooral in de beginjaren zitten – beter opgevangen kunnen worden. Dat alles drukt de totale kosten over de hele levensperiode van het windpark, draagt bij aan de beoogde kostenreductie en – voor de BV Nederland – in totaal tot lagere kosten.

Internetconsultatie

NWEA heeft deze zienswijze ingediend bij de internetconsultatie voor de wijziging van de AMvB van de SDE+. Echter, de zienswijze is niet gepubliceerd op de website van het ministerie van Economische Zaken. Waarschijnlijk komt dit door een technische fout in het indieningssysteem van EZ. NWEA heeft het ministerie aangespoord om de NWEA zienswijze alsnog te publiceren.