Reactie op advies Commissie mer over Structuurvisie Wind op Land

NWEA herkent een aantal punten van kritiek uit het advies van de Commissie voor de milieueffectrapportage (mer) over de Structuurvisie Wind op Land, met name dat het jammer is dat in het Milieu Effect Rapport niet alle voor wind in beeld zijnde gebieden zijn beoordeeld.

Om het doel van 6.000 MW in 2020 te halen, is het volgens NWEA noodzakelijk tempo te maken met de gebieden die wél beoordeeld zijn. Nederland staat voor de opgave om 6.000 megawatt aan opgesteld vermogen windenergie op land gerealiseerd te hebben in 2020. Dit uitgangspunt is opgenomen in de Structuurvisie Windenergie op Land en onder meer ook in het onlangs afgesloten SER Nationaal Energieakkoord.

Rijk en provincies sloten vorig jaar een Bestuursakkoord hoe deze doelstelling te verwezenlijken. Per provincie is een prestatieafspraak gemaakt over het aantal te realiseren megawatt. Bij het maken van die afspraken zijn een aantal gebieden die eerder voor windenergie kansrijk werden geacht afgevallen vanwege bedenkingen vanuit de provincies. Deze gebieden zijn vervolgens niet opgenomen in de Structuurvisie en ook niet beoordeeld in het Milieu Effect Rapport.

Volgens de Commissie voor de m.e.r. blijven daardoor ‘kansen voor grootschalige windenergie liggen’ en was met een analyse van álle in beeld zijnde gebieden ‘de kans op het bereiken van 6.000 megawatt in 2020 vergroot én had dit ruimte geboden voor de doorontwikkeling ná 2020.’

NWEA herkent de punten van kritiek van de Commissie voor de m.e.r. Deze sluiten goed aan op eerder door NWEA naar voren gebrachte bedenkingen. De voor windenergie beschikbare ruimte in de onderzochte gebieden kan immers kleiner uitvallen dan gedacht, vanwege concurrerende belangen als woningbouw. Dat maakt de inzet van reservegebieden noodzakelijk.

NWEA heeft er daarom steeds op aangedrongen méér gebied te beoordelen dan uiteindelijk nodig is, om een goede afweging te kunnen maken, maar vooral ook om reservegebieden voorhanden te hebben. Die gebieden zouden ook een rol kunnen spelen in de doorgroei van wind na 2020. Nú beoordelen had bovendien zowel bewoners in die gebieden als initiatiefnemers duidelijkheid kunnen geven of windenergie daar op termijn wel of niet mogelijk is.

Om in 2020 het doel van 6.000 megawatt te halen, is volgens NWEA echter vooral tempo nodig. De ontwikkeling van een windpark kost snel vijf tot zeven jaar. NWEA pleit er dan ook voor dat de ontwikkeling van windenergie in de wel in het MER onderzochte gebieden rap ter hand wordt genomen en zoekt daartoe de samenwerking met onder meer Rijk en provincies.

"Daarnaast is het van groot belang dat zo snel mogelijk duidelijk wordt hoeveel ruimte voor windenergie de onderzochte gebieden voor grootschalige wind en de andere door de provincies aangedragen locaties daadwerkelijk bieden", meent Ton Hirdes, directeur NWEA. "Mocht dat te weinig zijn om 6.000 megawatt te verwezenlijken, dan ligt het voor de hand dat de gebieden die door de markt als kansrijk worden gezien, maar die bij het MER waren afgevallen, opnieuw in beeld komen."