Goede monitoring Structuurvisie Wind op Land noodzakelijk

Elf grote windgebieden zijn opgenomen in de Structuurvisie Wind op Land. Om aan 6.000 MW te komen, zijn daarnaast nog veel andere windprojecten nodig. NWEA wijst vooral op het belang van een goede monitoring om zeker te zijn dat het doel in 2020 werkelijk wordt gehaald.

De Structuurvisie Wind op Land is 31 maart 2014 door minister Schultz van Haegen (I&M) naar de Tweede Kamer gestuurd; ruim een jaar na het verschijnen van de ontwerp-structuurvisie. Daarmee is een volgende stap gezet om de ruimte voor minstens 6.000 MW wind op land vast te stellen. Met de Structuurvisie worden 11 gebieden voor 'grootschalige wind' aangewezen; gebieden waar windparken kunnen komen van minstens 100 MW. Bij windparken van een dergelijke grootte wordt door het ministerie van EZ de Rijkscoördinatieregeling (RCR) toegepast.

In die 11 gebieden kan niet de hele opgave om aan 6.000 MW worden geplaatst; de provincies wijzen daarnaast gebieden aan waar de resterende turbines kunnen komen. Daartoe sloten begin vorig jaar het Rijk en de provincies (verenigd in het IPO) een bestuursakkoord met per provincie een resultaatverplichtende doelstelling in MW. Die afspraken zijn vervolgens ook weer opgenomen in het Nationaal Energieakkoord dat onder regie van de SER is opgesteld.

11 gebieden

De 11 gebieden voor grootschalige wind uit de Structuurvisie zijn de Eemshaven, Delfzijl en bij de N33 (Veendam), het IJssselmeer Noord, de Drentse Veenkoloniën, de Wieringermeer, Flevoland, de Noordoostpolderdijk, de Rotterdamse Haven, Goeree-Overflakkee en de Krammersluizen.

RCR-gebieden achter de hand

RCR-projecten of meldingen buiten deze gebieden vallen voorlopig af, als gevolg van de afspraak met de provincies. Het Rijk houdt de andere mogelijke RCR-gebieden nog wel achter de hand: als de provincies de opgave van 6.000 MW niet waarmaken, kan het Rijk eventueel aanvullend een RCR in gang zetten.

De provincies moeten er nu allereerst voor zorgen dat ze de ruimte voor windenergie vastleggen; halverwege dit jaar moet zo 6.000 MW opgenomen zijn in provinciale structuurvisies en dergelijke. Daarna moet voor veel van de aangewezen windgebieden nog bekeken worden hoeveel MW er daadwerkelijk geplaatst kan worden en volgen ruimtelijke inpassingsplannen en vergunningen.

Reactie van NWEA

Met de Structuurvisie Wind op Land is een volgende belangrijke stap genomen om de doorgroei naar 6.000 MW mogelijk te maken, constateert NWEA. De Structuurvisie bepaalt met name de locaties waar grote windparken kunnen komen en dat biedt duidelijkheid, zowel voor overheden, bewoners als markt. Door de eerdere meningsverschillen tussen Rijk en provincies over de vraag wie de regie over de ruimte heeft, heeft het ruimtelijk beleid voor wind op land veel vertraging opgelopen.

Pas met het bestuursakkoord tussen Rijk en provincies begin vorig jaar is die ruzie tot een einde gekomen.
Het betekent ook dat nu alles op alles gezet moet worden om de verloren tijd in te halen, om die 6.000 MW operationeel te krijgen begin 2020. Want alleen dan tellen ze mee voor het halen van de doelstelling van 14% hernieuwbare energie. Daartoe is het ook nodig terug te rekenen wat er voor nodig is die deadline te halen. En dan niet alleen wat betreft de ruimtelijke en vergunningstechnische kwesties, ook wat betreft SDE+-aanvraag en bouw.

Voortgang goed monitoren

Maar volgens NWEA is het nu allereerst van belang dat er een zinvolle beoordeling komt van alle door Rijk en provincies aangedragen gebieden en dat een goede monitoring wordt opgezet. Wat de beoordeling betreft zou bekeken moeten worden of in de aangewezen gebieden werkelijk het aantal geplande MW geplaatst kan worden waarvan de overheden uitgaan. Overheden en sector zouden die beoordeling samen moeten doen, het liefst ondersteunt door een kundig bureau.

De voor windenergie beschikbare ruimte in de aangewezen gebieden kan immers veelal kleiner uitvallen dan gedacht, vanwege concurrerende belangen als woningbouw of natuur of beperkingen als radar. Of omdat voor de markt de mogelijkheid er een rendabel project te bouwen door beperkingen in maximale bouwhoogte of SDE+ systematiek anders uitpakt. NWEA heeft er daarom steeds op aangedrongen méér gebied te beoordelen in de plan-MER voor de Structuurvisie dan uiteindelijk nodig is, om een goede afweging te kunnen maken, maar vooral ook om reservegebieden voorhanden te hebben.

De doelstelling halen betekent ook dat de overheden voortdurend de voortgang moeten monitoren: hoe verlopen de projecten, hoeveel MW kan werkelijk geplaatst worden, wanneer blijkt dat een gebied afvalt of dat er minder MW dan verwacht kunnen komen. Alleen door dat voortdurend te monitoren, kan tijdig ingegrepen worden om 2020 te halen en kunnen reservelocaties in stelling worden gebracht.

Op voortgang aanspreken

De provincies hebben elk een resultaatverplichtende doelstelling voor 2020. Grote vraag is natuurlijk hoe hard de verschillende provincies er echt aan gaan trekken. Het IPO, het samenwerkingsverband van de provincies, maakt zich hard voor de doelstelling, weet NWEA na gesprekken die met IPO zijn gevoerd. Maar per provincie kan dat verschillen en zullen provincies op de voortgang aangesproken moeten worden.

Die noodzaak zal komende jaren ook uit de monitoring moeten blijken. Rijk en IPO zullen moeten uitstralen dat ze ook daadwerkelijk bereid zijn provincies op de voortgang aan te spreken en – als het nodig is – in te grijpen, eventueel zelfs door de ontwikkeling in andere dan de genoemde 11 RCR-gebieden in gang te zetten.

Kijk voor de Structuurvisie Wind op Land, MER-rapport, Passende beoordeling en Nota van antwoord op de website van het ministerie van I&M.