Visie NWEA op windenergie op land

Hieronder staat de visie van NWEA op windenergie op land. De volledige visie van de brancheorganisatie staat hier.

 

Als een van de goedkoopste vormen van duurzame energieopwekking heeft windenergie op land een groot potentieel als stevige pilaar onder de verdere verduurzaming van onze samenleving. Om tot 2050 door te groeien naar 100% duurzame energie moeten voor de periode 2020-2030 nieuw beleid en nieuwe doelstellingen worden vastgesteld waarbij zorgvuldig invulling wordt gegeven aan de verdere zoektocht naar geschikte locaties voor windmolens. Windenergie op land is niet alleen een uitermate kosteneffectieve oplossing, de vorm van energie brengt duurzame energie ook dichter bij de inwoners van Nederland.

Geleerde lessen uit het huidige beleid

De huidige doelstelling uit het Energieakkoord heeft een aantal grote voordelen. Zo zorgen de doelen en de verdeling daarvan over de provincies voor duidelijkheid. Gecombineerd met de Stimuleringsregeling Duurzame Energieproductie (SDE+) zorgt dit voor investeringszekerheid. Het gevolg is dat het opgesteld vermogen aan windenergie op land groeit[1] terwijl de kostprijs nog steeds daalt.

De huidige doelstelling voor windenergie op land heeft ook nadelen. De doelstelling van 6000 megawatt (MW) stuurt op opgesteld vermogen en niet op de hoeveelheid daadwerkelijk opgewekte energie. Dit geeft geen optimale prikkel om elke opgewekte kilowattuur aan energie zo goedkoop mogelijk te produceren. Dit terwijl de SDE+ al wel is omgevormd naar een stimulering op productie in plaats van op opgesteld vermogen.

Daarnaast heeft de specifieke doelstelling voor windenergie op land en de doorvertaling daarvan naar provinciale doelstellingen ook gezorgd voor bestuurlijke en politieke weerstand. In sommige gebieden hebben omgeving en politici het gevoel gekregen dat zij onvoldoende ruimte hebben om mee te denken over windprojecten.

Nationaal doel voor duurzame energie, vertaald naar regio’s

De huidige nationale doelstelling heeft gezorgd voor een forse groei van windenergie op land. De sturing en duidelijkheid die het breed gedragen Energieakkoord hebben opgeleverd zijn zeer waardevol gebleken en hebben voor een stabiel beleid met een goed investeringsklimaat gezorgd. Vanwege de genoemde nadelen vindt NWEA het wenselijk om windprojecten na 2020, meer dan nu soms de praktijk is, samen met de omgeving en lokale bestuurders te realiseren.

Concreet stelt NWEA het volgende voor:

  • Vertaling van het nationale doel van 33% duurzame energie in 2030 in concrete regionale afspraken zonder te sturen op één specifieke techniek;
  • Een vorm van financiële vertaling van de SDE+ naar de regio waarmee regio’s meer ruimte én meer verantwoordelijkheid krijgen voor de gemaakte keuzes.

Mandaat bij de regio’s, regie bij het Rijk

Voor windenergie op land is de Omgevingswet een belangrijk beleidskader. NWEA steunt het uitgangspunt van deze wet, namelijk dat ruimtelijke ontwikkelingen zo veel mogelijk van onderop moeten worden vormgegeven, dus met veel ruimte voor lokale afwegingen.

NWEA wil om die reden een grotere rol voor gemeenten en provincies bij het vormgeven van een duurzame energievoorziening. Gemeenten kunnen in samenwerking met provincies, het Rijk en de initiatiefnemers van projecten voor windenergie bepalen welke duurzame energieoptie (bijvoorbeeld windenergie, zonne-energie of waterkracht) of een combinatie van opties de meest economische en duurzame is en het beste past in een gebied.

Een groeiend aantal gemeenten stelt doelstellingen vast om klimaatneutraal te worden. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG)[2] en het Interprovinciaal Overleg (IPO) werken op dit moment aan regionale energiestrategieën waarbij het mandaat bij decentrale overheden komt te liggen.

Klimaatneutrale gemeenten: Steeds meer gemeenten willen klimaatneutraal worden. Zij hebben zich verenigd in het Klimaatverbond. Momenteel zijn al 11 provincies, 155 gemeenten en vier Waterschappen aangesloten. Hun doelstelling is om in 2050 klimaatneutraal te zijn. Daarnaast zijn er veel overheden die nog verder gaan en voor bijvoorbeeld 2030-doelstellingen hebben geformuleerd. Al deze ambitieuze doelstellingen kunnen alleen worden gerealiseerd met een fors aandeel van duurzame energie. Meer informatie op: www.klimaatverbond.nl

Ook in andere bestuurslagen en overheidsdiensten zoals de Waterschappen en Rijkswaterstaat wordt nagedacht over de manier waarop bijgedragen kan worden aan een duurzame energievoorziening van Nederland. NWEA is zeer positief over deze ontwikkelingen en denkt graag mee over de mogelijkheden om deze doelstellingen (mede) met windenergie te realiseren.

Regionaal mandaat koppelen aan financiële verantwoordelijkheid

Als de trend naar meer regionale verantwoordelijkheid consequent wordt doorgezet dan is het noodzakelijk om ook na te denken over de mogelijkheid om de financiële verantwoordelijkheid (deels) bij de regio te beleggen. Op dit moment kan een provincie voor een relatief dure optie kiezen (bijvoorbeeld een zonneveld) waarbij de extra kosten ten opzichte van een goedkope optie (bijvoorbeeld windenergie of kleinschalige biomassa) via de SDE+ voor de rekening komt van het Rijk en daarmee de samenleving.

Een manier om dit te realiseren is door ook de budgetten voor stimulering van duurzame energie te regionaliseren. Dat kan bijvoorbeeld door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) regionale SDE+-budgetten in te laten stellen. Dit legt de verantwoordelijkheid bij lokale en regionale bestuurders en geeft omwonenden meer ruimte om mee te beslissen over de vraag hoe de energietransitie moet worden vormgegeven in hun omgeving. Hierbij is het een overweging om het eventueel overblijvende budget aan de regio te laten.

Rijk stuurt op doelstellingen, niet op technieken

Het is essentieel dat de uitvoering van alle regionale energiestrategieën en het aanvullende beleid gezamenlijk leidt tot het gemeenschappelijke doel: een duurzame energievoorziening waarbij in 2030 33% van het energieverbruik duurzaam wordt opgewekt. Dit betekent dat het Rijk overzicht en regie houdt. Provincies en gemeenten krijgen dus mandaten en financiering waarmee zij zelf invulling kunnen geven aan de regionale duurzame energievoorziening. Het halen van de doelstelling is van nationaal belang, indien zij de doelen niet halen dient het Rijk actief in te grijpen.

Vertrouwen in substantiële bijdrage van windenergie

Alle duurzame opties (energie-efficiëntie, windenergie, zonne-energie, waterkracht, aardwarmte en bio-energie) zijn volgens NWEA nodig om de doelstelling van 33% duurzame energie in 2030 te halen. Ook het uiteindelijke doel, een 100% duurzame energievoorziening in 2050 is zonder gebruik van alle duurzame opties, onhaalbaar.

Windenergie heeft veel voordelen: het is een bewezen technologie die nog steeds volop innoveert, het is een van de goedkoopste energiebronnen[3], het is relatief eenvoudig inpasbaar in decentrale distributienetten en het is een betrouwbare bron. Om die redenen vertrouwt NWEA erop dat windenergie een flinke bijdrage gaat leveren in de duurzame mix van de Nederlandse energievoorziening. Op basis van dit vertrouwen is NWEA van mening dat het Rijk naast een algemene doelstelling voor duurzame energie geen subdoelstellingen per duurzame energieoptie (energietechniek) hoeft te formuleren.

Gedragscode draagvlak en participatie wind op land

Volgens NWEA is het betrekken van mensen bij windenergie op land niet alleen een voorwaarde voor meer windenergie. Het betrekken van elke Nederlander is noodzakelijk om de een duurzame energievoorziening te realiseren.

De transitie naar een duurzame energievoorziening kan namelijk alleen worden gerealiseerd als Nederlanders ervaren dat deze transitie noodzakelijk en realistisch is en een idee krijgen van de enorme uitdaging waar wij met elkaar voor staan. Windenergie op land biedt de kans om mensen de voordelen en de noodzaak van decentrale, duurzame energieopwekking te laten ervaren.

Net zoals participatie vanuit de overheid niet wordt vereist voor ruimtelijke ontwikkelingen als (spoor)wegen of andere vormen van energieopwekking, is NWEA geen voorstander van wettelijke verplichte participatie in windprojecten. Bij een wettelijke verplichting ontstaat een sfeer van rechten en plichten terwijl een windproject alleen op acceptatie kan rekenen als alle partijen in een open proces tot een goede vorm van participatie kunnen komen.

Binnen de Gedragscode draagvlak en participatie wind op land werken Greenpeace Nederland, Milieudefensie, de Natuur- en Milieufederaties, NWEA, ODE Decentraal en Stichting Natuur & Milieu samen om omwonenden te betrekken bij windenergie.

Op basis van de eerste evaluatie in maart 2016 gaan de ondertekenaars bekijken waar de Gedragscode aangepast en versterkt moet worden. NWEA kijkt tevreden terug op de eerste evaluatie van de Gedragscode en het feit dat deze zeer positief ontvangen is door de Minister van Economische Zaken[4]. Voor de toekomst wil NWEA in overleg met de andere ondertekenaars van de Gedragscode kijken naar de volgende zaken:

  • Lokaal maatwerk met bijvoorbeeld energiecoöperaties, dorpsmolens en brancheverenigingen;
  • Mogelijkheid om te komen tot afspraken met vertegenwoordigers van consumenten en omwonenden;
  • Benadrukken van het belang van onafhankelijke procesbegeleiders door alle belanghebbende partijen: van gemeenten en provincies tot vertegenwoordigers van consumenten en omwonenden.

Innovatie en kostprijsdaling

Windenergie op land is een goedkope en bewezen techniek die nog steeds innoveert. Mede daardoor kan de kostprijs het komende decennium blijven dalen. Windturbines worden groter, hoger en nóg stiller. Op dezelfde locatie leveren twee keer langere rotorbladen (wieken) vier keer meer productie op en twee keer hardere wind (hogere masten) levert acht keer meer productie op. Voor kostprijsdaling van windenergie op land zijn daarnaast drie zaken van belang:

Ten eerste het verkorten van het ontwikkelingstraject: dit kan door het beter en eerder betrekken van de omgeving[5] en betere afstemming tussen overheden, waardoor bezwaar- en beroepsprocedures en het vergunningentraject verkort kunnen worden. Ook kan het vergunningentraject voor netaansluiting parallel lopen aan het vergunningentraject.

Ten tweede het verlagen van de grondkosten: het is veel omwonenden een doorn in het oog dat sommige grondeigenaren een hoge vergoeding krijgen voor het beschikbaar stellen van hun grond. Het ministerie van Economische Zaken is actief bezig met het onderzoeken van de mogelijkheden voor een gedoogplicht. Dit kan ook voor Rijksgronden gaan gelden. Naast kostprijsverlaging zorgt dit ook voor een betere verdeling van lusten en lasten.

Ten derde de socialisering van stopcontacten op land waarbij NWEA een voorstander is van een gelijk tarief voor de aansluiting op het net: zoals veel andere initiatieven in de openbare ruimte in Nederland heeft een windontwikkelaar vaak weinig te zeggen over de locatie waar een windpark wordt ontwikkeld. Vanwege het kostenveroorzakersprincipe kunnen de kosten voor netaansluiting echter erg verschillen per locatie. Met name bij de grotere windprojecten die momenteel worden ontwikkeld kunnen de aansluitkosten op het net erg hoog zijn.

Wind op land zonder stimulering? Een interessante vraag is wanneer windenergie op land zonder stimulering van de SDE+ kan. Het antwoord is: dat kan nu al als alle externe kosten zoals klimaatverandering en luchtvervuiling worden doorberekend bij de opwekking van fossiele energie. Het Emissiehandelssysteem (ETS) zet weliswaar een prijs op CO2-uitstoot maar deze is structureel te laag om duurzame energie een gelijk speelveld te leveren. Terwijl de kosten voor vervuiling van fijnstof, stokstofoxiden en zware metalen helemaal niet worden doorberekend aan de vervuiler. Maar zelfs als die externe kosten niet (helemaal) worden doorgerekend kan windenergie op land op termijn zonder stimulering.

Wanneer dat precies gebeurt, is afhankelijk van de energieprijs en de prijs van windenergie zelf. In de Nationale Energieverkenning staat daarover het volgende: “Voor 2030 kan wind op land rendabel worden. In de periode tussen 2025 en 2030 kan windenergie in sommige delen van het land rendabel worden en autonoom groeien onder enkele voorwaarden. Kostentechnisch is het van belang dat de nieuwste techniek ingezet mag worden op de windrijke locaties en dat financiële afdrachten, niet zijnde risicodragende participatie, naar belanghebbenden als grondeigenaren en omwonenden beperkt worden. Een belangrijke randvoorwaarde daarvoor is dat de elektriciteitsprijs stijgt in lijn met deze verkenning.” (NEV 2015, p.117)

Potentie windenergie op land

Het Energierapport gaat uit van een maximum van 70PJ (19 TWh) inpasbaar potentieel voor windenergie op land, wat neerkomt op ongeveer 8 GW aan opgesteld vermogen. Alleen al met het opschalen van huidige windprojecten waarvan de levensduur eindigt tussen 2020 en 2030 kan deze extra 2 GW (in vergelijking met het huidige 2020-doel) makkelijk gehaald worden. NWEA ziet daarom een veel grotere potentie voor windenergie op land in 2030.

Werkgelegenheid

Met de groei van windenergie op land neemt ook het aantal banen in de sector toe. Het gaat daarbij zowel om directe als indirecte werkgelegenheid. Op dit moment doet de Sociaal-Economische Raad (SER) in het kader van het Energieakkoord onderzoek naar het exacte aantal banen dat windenergie op land in Nederland gaat opleveren.

Net als voor Wind op zee is het van groot belang dat Nederland inzet op versterking en verbreding van voldoende opleidingsfaciliteiten voor windenergie. Om onze ambities voor verdere groei waar te kunnen maken, is het nodig dat er spoedig voldoende en kwalitatief goede opleidingen voor specialisten in de windsector zijn, op alle niveaus (MBO, HBO en WO).

 


[1] Zie onder andere www.windstats.nl

[3] www.ecn.nl/nl/samenwerking/sde/

[4] https://www.rijksoverheid.nl/regering/inhoud/bewindspersonen/henk-kamp/documenten/kamerstukken/2016/04/18/kamerbrief-met-reactie-op-rapport-evaluatie-gedragscode-draagvlak-en-participatie-wind-op-land