Reactie NWEA op Kamerbrief 'Windenergie op zee'

In de kamerbrief ‘Windenergie op zee’ van vrijdag 26 september 2014 heeft het kabinet bekend gemaakt dat het drie gebieden heeft gekozen waar de komende jaren windparken op zee kunnen worden ontwikkeld. Met deze keuze is een flinke stap gezet om het doel uit het Energieakkoord om meer duurzame energie uit wind op te wekken, dichterbij te brengen.

Ook heeft het kabinet besloten om de bestaande vergunningen voor de aanleg van een windpark op zee te laten vervallen, met als reden dat met deze vergunningen de ontwikkeling van windparken duurder zou worden dan in het nieuwe systeem. Bovendien wordt de Regeling SDE+ dezer dagen zodanig gewijzigd dat het aanvragen van subsidie voor windenergie op zee in 2014 niet meer mogelijk is.

NWEA heeft waardering voor de voortvarende, duidelijke en concrete stappen die nu worden gezet om de uitrol van windenergie op zee een forse stap verder te brengen. Uit alle doorrekeningen die zijn gemaakt voor het Energieakkoord voor duurzame groei dat vorig jaar onder regie van de SER tot stand is gekomen, blijkt offshore wind absoluut noodzakelijk om de doelstellingen van 14% duurzame energie in 2020 en 16% in 2023 te kunnen halen. Het Energieakkoord gaat daarom uit van bijna 4.500 MW wind op zee in 2023 en hanteert strikte deadlines om dat mogelijk te maken.

De besluiten die nu in de kamerbrief zijn gepresenteerd door de ministers Kamp en Schultz van Haegen zijn een noodzakelijke stap om die deadlines te kunnen halen. Maar er moeten nog veel meer stappen worden gezet. In dat opzicht betreurt NWEA het dat geen gebruik wordt gemaakt van de bestaande vergunningen, die juist ook in de nu aangewezen gebieden zekerheid en versnelling kunnen bieden, zonder dat daarbij de kosteneffectiviteit in gevaar komt.

De ambitieuze opgaven die in het Energieakkoord zijn overeengekomen betekenen niet alleen voor de overheid een grote uitdaging maar ook voor de investeerders, ontwikkelaars, energiebedrijven en toeleverende industrie die dit allemaal in de praktijk moeten gaan bouwen. Internationale steun is daarbij bovendien onontbeerlijk. In dat opzicht is de aangekondigde plotselinge sluiting van de SDE+ 2014 regeling een verontrustend signaal.

Om de doelen voor wind op zee te halen is tempo in het proces van uitrol en zekerheid voor de markt noodzakelijk. Het risico bestaat dat de nieuwe beleidskeuzes van de minister leiden tot vertraging, vooral doordat opnieuw– en op het laatste moment - bestaande regels worden aangepast. Daarmee wordt niet voor het eerst een beeld opgeroepen van een niet-consistente overheid, wat leidt  tot blijvende onzekerheid in deze markt.

Offshore wind is een grensoverschrijdend concurrerende markt. Dat betekent dat de mogelijkheden die in Nederland aan die markt worden geboden ook internationaal voldoende aantrekkelijk moeten zijn. Want anders zullen investeerders, ontwikkelaars en energiebedrijven hun kansen eerder zoeken in landen als het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk of Duitsland waar ook forse plannen voor wind op zee op stapel staan en in uitvoering zijn.

Om deze Nederlandse markt voldoende interessant te laten zijn is het onder andere nodig dat -wet- en regelgeving op orde is. Hieraan wordt door de Rijksoverheid hard gewerkt, maar het is nog niet zeker dat alles op tijd in orde zal zijn om al in 2015 een tender te kunnen uitschrijven.

NWEA heeft, zoals al eerder gezegd, ook grote waardering voor het aanwijzen van TenneT als degene die het net op zee gaat aanleggen en beheren. Dat ontlast de windparkeigenaren van een zorg en zal zeker tot de zo nodige kostenreducties leiden. Maar hoe en of die kostenreductie nu wel, niet of deels in de beoogde 40% uit het Energieakkoord zit is doorslaggevend voor de vraag of het nieuwe systeem wel of niet aantrekkelijk zal zijn ten opzichte van dat in de ons omringende landen. Die vraag moet de overheid samen met de sector snel beantwoorden.  

In de grote uitdagingen die er nog liggen is nauwe samenwerking tussen overheid, investeerders, ontwikkelaars, energiebedrijven en toeleverende industrie essentieel. De omvang van de nog komende werkzaamheden en de daaraan verbonden budgetten zijn een veelvoud van die van de Deltawerken, HSL, Betuwelijn en andere grote infrastructurele projecten. Dat vergt een daarop afgestemde voldoende grote organisatie en een intensieve Publiek Private Samenwerking. Daarmee wordt gewaarborgd dat de ervaring en kennis van de sector en overheid samen optimaal worden benut en uitgewisseld.

Er moeten nog heel veel stappen worden gezet. Internationaal moeten we het vertrouwen herwinnen dat de uitrol van wind op zee in Nederland stabiel, consistent en eenduidig wordt georganiseerd en de daarmee nodige (investerings)zekerheid biedt. NWEA heeft al eerder aangegeven het gesprek daarover met de overheid samen met de sector graag aan te gaan. Deze noodzaak is met de besluiten in de kamerbrief van 26 september nog groter geworden. Investeren in wederzijds vertrouwen is urgenter dan ooit. Tot slot gaat NWEA er van uit dat bestaande vergunninghouders op individuele basis alsnog adequaat worden behandeld.